• A
  • A
  • Kamer blijft kritisch over buitenlandse opleidingen

    - In de Tweede Kamer blijven zorgen bestaan over het aanbieden van opleidingen van Nederlandse ho-instellingen in het buitenland. De Kamer wil weten hoe de academische vrijheid gegarandeerd is en hoe gewaarborgd is dat er geen geld van de belastingbetaler gemoeid is met dergelijke opleidingen.

    Dit voorjaar werd vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen een wet aangenomen die de grondslag vormde om in het buitenland een gehele opleiding te verzorgen. Wel was er nog een Algemene Maatregel van Bestuur nodig om dit bijvoorbeeld ook voor de RUG in Yantai, maar ook voor andere instellingen mogelijk te maken.

    Lees hier meer over de Algemene Maatregel van Bestuur aangaande buitenlandse campussen

    Deze Algemene Maatregel van Bestuur is onlangs naar de Kamer gestuurd en daar zijn nu Kamervragen over gesteld. Uit de vragen die vanuit de Kamer komen blijken er zorgen te bestaan over de mogelijkheid die Nederlandse hoger onderwijsinstellingen krijgen om in het buitenland opleidingen te verzorgen. 

    D66 wil bijvoorbeeld van de minister weten welk effect een buitenlandse opleiding heeft op de kwaliteit van een Nederlandse opleiding. “Kan de minister nader toelichten in hoeverre het verzorgen van een opleiding in het buitenland in het belang is van de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland. Op wat voor manieren leidt het verzorgen van een opleiding in het buitenland tot een hogere kwaliteit van onderwijs in Nederland?”

    Strikte scheiding van financiële middelen

    Instellingen die een opleiding starten in het buitenland moeten daar ook apart financiële verslaglegging van doen aan het ministerie, omdat deze opleidingen in het buitenland niet bekostigd mogen worden met geld vanuit het Rijk. D66 wil hier het fijne van weten. “Hoe gaat het verbod op gebruik van de indirecte aanwending van de bedoelde middelen gecontroleerd worden, en hoe zal de handhaving hiervan verlopen. Daarnaast wil D66 weten in hoeverre het praktisch haalbaar is om de toegestane middelen strikt gescheiden te houden van de activiteiten aan de Nederlandse vestiging.”

    Ook de SP die altijd al buitengewoon kritisch stond tegenover een buitenlandse nevenvestiging, blijkt nu ook weer zo hun vraagtekens te hebben. “De leden van de SP-fractie vragen of, ondanks alle wettelijke maatregelen, te voorkomen is dat bij grote financiële tegenvallers de rijksbijdrage alsnog wordt gebruikt. De instelling blijft immers eindverantwoordelijk. Zijn, naar de mening van de minister, de huidige garanties afdoende om een dergelijke gebeurtenis te voorkomen?”

    In de nieuwe wet is geregeld dat bekostigde instellingen altijd instemming moeten hebben van de medezeggenschap om een buitenlandse opleiding te starten. Niet-bekostigde instellingen hebben hier geen toestemming voor nodig van de medezeggenschap. Het CDA heeft daar vraagtekens bij. “Kan de minister toelichten waarom er toch niet aan is gedacht om voorwaarden te stellen aan het regelen van draagvlak bij een niet-bekostigde instelling. Immers, ook voor deze instellingen geldt dat hun hoofdtaak het verzorgen van hoger onderwijs in Nederland is en dat hun Nederlandse studenten niet nadelige gevolgen moeten kunnen ondervinden van het feit dat de instelling waaraan zij studeren ook hoger onderwijs in het buitenland verzorgt.”

    Vragen over academische vrijheid

    Een ander belangrijke vraag die veel Kamerfracties hebben gaat over de academische vrijheid. D66 vraagt wat hier de waarborgen omtrent zijn. “Hoe gaat de minister voorts toetsen of de waarborging van de academische vrijheid in het land van de buitenlandse instelling voldoende is. Kan de minister concrete maatregelen noemen die genomen worden indien de academische vrijheid niet hetzelfde niveau geniet als in Nederland.”

    Omdat er geen publieke middelen gemoeid mogen zijn met de oprichting van een opleiding, kunnen ook private partijen dergelijke opleidingen mede financieren. D66 wil nu van Van Engelshoven weten of hierdoor de academische vrijheid niet in het gedrang komt. “Wanneer een opleiding bijvoorbeeld zou worden gefinancierd door een private investeerder die niet dezelfde standaard gebruikt als het gaat om academische vrijheid ten opzichte van de Nederlandse standaard, in hoeverre denkt de minister dat er dan zelfcensuur zou kunnen ontstaan op de opleiding om de financierder tevreden te stellen?”

    D66 vraagt daarnaast ook hoe het internet gevrijwaard kan blijven van censuur in het buitenland. “Is de minister van mening of waarborgen voor een ongecensureerde toegang op landelijk- geregeld moeten zijn of op instellingsniveau. Ziet de minister het gebruik van een VPN-verbinding als voldoende waarborg voor een ongecensureerde toegang tot het internet?” 

    Ook de SP heeft ten aanzien van de academische vrijheid kanttekeningen geplaatst bij deze nieuwe Algemene Maatregel van Bestuur. “Als het culturele klimaat en of de wetgeving in het land waar de vestiging zich bevindt, niet strookt met de academische principes (specifiek waar het gaat om fundamentele zaken als vrijheid van meningsuiting), zou dat dan niet afdoende reden moeten zijn om een aanvraag te weigeren?” De nieuwe minister van hoger onderwijs, Ingrid van Engelshoven (D66) zal deze vragen binnen een termijn van drie weken moeten beantwoorden.