• A
  • A
  • "Echt taalbeleid hebben we nooit gehad"

    - “Het Nederlands als academische taal is een voorbije wereld.” Dat was een van de pittige uitspraken tijdens het debat dat de KNAW organiseerde naar aanleiding van het verkenningsrapport over de verengelsing van het hoger onderwijs.

    In de openbare bibliotheek van Amsterdam presenteerde de KNAW-commissie de verkenning ‘Taal in het hoger onderwijs’. Na afloop gingen bestuurders, studentvertegenwoordigers en leden van de commissie in discussie met de zaal over het taalbeleid in het hoger onderwijs. Daaruit bleek dat de discussie over taal in het hoger onderwijs bepaald nog niet beslecht is.

    Een opvallende constatering over de houding die instellingen hebben ten opzichte van taal kwam van schrijver en taalwetenschapper René Appel. “Tot nu toe is er geen beleid geweest, of nauwelijks, maar er zijn wel ik weet niet hoeveel opleidingen in het Engels. Is het niet krankzinnig dat een universiteit besluit om dat allemaal toe te staan zonder dat er beleid is ontwikkeld?”

    Volgens Paul Rüpp, de voorzitter van de hogeschool Avans die in de commissie zat van de KNAW, denken instellingen hier wel degelijk over na. “Mijn hogeschool heeft er bewust voor gekozen om het Nederlands aan te houden als de standaard.” Wel onderkent hij, en met hem meerdere hogescholen, dat het Engels ook op de arbeidsmarkt een steeds dominantere rol krijgt. “Daarom bieden wij wel elke student een cursus Engels aan en het wordt ook getoetst.”

    Wat zegt de wet?

    Aan de technische universiteit in het oosten van het land, de UTwente, heeft men het over de volledig andere boeg gegooid, zo lichtte rector Thom Palstra toe in zijn pitch. “Wij willen dat onze medewerkers, ook promovendi, internationaal actief zijn ‘global citizens’. Dat willen wij ook doorvoeren in ons onderwijs.” Om die reden hecht zijn instelling sterk aan de international classroom waarbij studenten van verschillende nationaliteiten bij elkaar in de klas zitten.

    Tussen de zaal en het panel ontstond enige discussie over de ‘wetmatigheid’ van de keuzes die instellingen en opleidingen maken voor het taalgebruik. Zo kreeg Thom Palstra (UTwente) van Jan Roukens, voorzitter van de Stichting Nederlands, een stichting die zich verzet tegen de verengelsing van het Nederlands, de beschuldiging te horen zich niet aan de wet te houden. “Wat de heer Palstra aandroeg over zijn beleid op het gebied van taal is regelrecht in strijd met expliciete uitspaken in de WHW.”

    In de WHW staat dat Nederlands de taal is van het hoger onderwijs, waarvan maar om twee reden afgeweken kan worden. Dit kan in het geval het onderwijs over de betreffende vreemde taal betreft, of als ‘de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs dan wel de herkomst van de deelnemers daartoe noodzaakt’. Volgens voorzitter van de KNAW-commissie Janneke Gerards geeft de wet genoeg ruimte om deze overweging te maken, maar deze uitspraak werd door enkele experts tegengesproken. Ook Beter Onderwijs Nederland (BON) is het hier duidelijk niet mee eens, aangezien ze kort geleden een rechtszaak aanspanden over dit onderwerp.

    Kwaliteit van onderwijs

    Studentenvertegenwoordiger Jeff van As (ISO) stelde in zijn bijdrage misschien wel de hamvraag: wat komt de kwaliteit van het onderwijs nu werkelijk ten goede? “Het niveau van beheersing van de Engelse taal tot waarop vwo’ers opleiden is het zogenaamde B2 niveau, en mbo-4 en havo leerlingen op niveau B1”. Volgens het ISO is dit niet voldoende om werkelijk op het hoogste niveau met de stof bezig te zijn.

    Van As had de criteria voor het B2 niveau er even bij gepakt. “Dat houdt in dat een student bekwaam is in: het begrijpen van de hoofdgedachte van een ingewikkelde tekst.” Daar voegde hij aan toe dat het niet eens gegarandeerd is dat alle gediplomeerden dat niveau ook behalen. “ 15% van de scholieren haalt niet eens een voldoende voor het eindexamen Engels.”

    Vanuit de zaal werden deze uitspraken kracht bijgezet en aangevuld met meer argumenten, waaronder die van taalwetenschapper Annet de Groot van de Universiteit van Amsterdam die veel onderzoek deed naar meertaligheid: “Het vocabulaire van studenten is substantieel geringer in het Engels, en van de woorden die ze wel kennen is de kennis van de betekenis en nuances beperkt. Ook is onderwijs geven in het Engels mentaal en stuk zwaarder en is de geloofwaardigheid van een spreker die in zijn tweede taal college geeft kleiner.”

    In het verlengde daarvan lieten meerderen van zich horen zorgen te hebben over de taalbeheersing van het Nederlands, een punt waar de meesten het wel over eens konden worden. Rüpp, zelf Neerlandicus en in het verleden leraar Nederlands zette die uitspraken kracht bij. “Ik maak mij inderdaad ook zorgen om de bedreiging die het Engels vormt voor Nederlands als academische taal.” Hij merkte daarbij ook op dat het bijna een taboe is om collega’s erop aan te spreken. “Toch doe ik het, als iemand mij een e-mail stuurt met een dijk van een spelfout. Dan gaat hij per ommegaande post terug.”

    Harde werkelijkheid

    Toch was deze hele discussie volgens sommige aanwezigen een hopeloos achterhoedegevecht, of zoals communicatiewetenschapper Jo Bardoel het duidde: “Het Nederlands als academische taal is een voorbije wereld. Nederlands is een irrelevante taal geworden om in te publiceren, dat terwijl de arbeidsmarkt juist hartstikke Nederlandstalig georiënteerd is.”

    Over de keuze van de commissie om de beslissing voor de taalkeuze op opleidingsniveau te beleggen een goede is, was ten slotte nog discussie. “Wanneer je een bestaande opleiding ineens in het Engels aanbiedt dan is het niet zo dat je deze ‘vertaalt’, je maakt echt een andere opleiding,” aldus Maex. “Ik denk zeker dat een opleidingscommissie hier goede inhoudelijke kennis over heeft maar ik denk ook dat je als universiteit die context mee moet besturen, en er voor moet zorgen dat niet ineens alles naar het Engels gaat.”

    Op 29 november organiseert ScienceGuide samen met de Hogeschool Rotterdam een symposium over taal in het onderwijs.