• A
  • A
  • Kenniseconomie vraagt om nieuw promotiestelsel

    (Foto: Marco Schwartz)

    (Foto: Marco Schwartz)

    - Vandaag start ScienceGuide met het promovendidiscours, een gesprek waarin nut en noodzaak en de voorwaarden voor een goede promotie worden besproken. Lou de Leij (RuG) trapt af met wat hij ziet als de grootste uitdagingen voor het stelsel.

    In Nederland promoveerden het afgelopen jaar bijna vijfduizend, veelal jonge wetenschappers op een door hen geschreven proefschrift. Dit aantal is een voorlopige mijlpaal en past in een beeld van sterke groei in aantallen promoties gedurende de afgelopen twaalf jaar. Groei is echter geen autonoom proces en het is dan ook de vraag of deze groei de komende tijd doorzet.

    De instroom van promovendi neemt de laatste vijf jaar niet echt meer toe, zodat het aannemelijk is dat de aantallen jaarlijkse promoties zullen stabiliseren of mogelijk zelfs afnemen. Dit past bij de beperktere financiële middelen die aan de Nederlandse wetenschap de laatste jaren ter beschikking zijn gesteld. Vooral het wegvallen van de gelden uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES, gefinancierd uit de ‘aardgasbaten’) dat van 1995 tot ongeveer 2015 veel extra promotieplaatsen opleverde, moet in dit verband genoemd worden.  

    Hoe inventief en competitief Nederlandse wetenschappers ook zijn, er is simpelweg niet voldoende nationale financiering om genoeg promovendi aan te stellen voor het op gang houden van bovengenoemde groei. Er is vaak gememoreerd dat Nederland voor wat betreft het aantal gepromoveerden in Europa tot de middenmoot behoort en dat dit niet past bij onze ambities als hoogwaardige kenniseconomie. In de ons omringende landen, maar zeker ook in een opkomende economische grootmacht als China, stijgen de aantallen promoties nog steeds snel en Nederland dreigt, als onze groei zou stokken, wat dit betreft verder achterop te raken.

    De vraag die daarbij gesteld moet worden, is of we ons zorgen moeten maken over dit vooruitzicht of dat we, zoals ook wel betoogd, met zijn allen te veel promovendi opleiden en juist tevreden moeten zijn met een stagnerende groei. Voor het goed beantwoorden van die vraag is het belangrijk om niet alleen op aantallen te focusseren, maar ook te kijken naar hoe het Nederlandse promotiestelsel is ingericht, wat voor gepromoveerden er opgeleid worden en of dat past bij wat onze huidige samenleving nodig heeft.

    Het Nederlandse promotiestelsel

    Binnen een promotietraject kunnen twee hoofdactiviteiten onderscheiden worden, namelijk (1) het doen van specialistisch onderzoek en (2) het opgeleid worden tot breed inzetbare, zelfstandig opererende kenniswerker. Deze activiteiten zijn uiteraard nauw met elkaar verweven, maar niet aan elkaar gelijk en ze moeten in het belang van de promovendus met elkaar in balans zijn.

    Als we dit nader bekijken, dan kunnen we stellen dat het Nederlandse promotiestelsel voor wat betreft de eerste activiteit - goed onderzoek doen - de afgelopen jaren succesvol is geweest. Nederlandse gepromoveerden staan om hun wetenschappelijke kwaliteit wereldwijd uitstekend aangeschreven en degenen die dat willen, kunnen over het algemeen relatief eenvoudig een postdoc baan aan een buitenlandse topuniversiteit krijgen. De resultaten uit deze promotieonderzoeken worden voor een groot deel gepubliceerd in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften en deze publicaties vormen de hoofdmoot van de wetenschappelijke productie van de Nederlandse universiteiten. Naast de kwaliteit van de wetenschappelijke staf is het aantal promovendi en hun inzet feitelijk bepalend voor deze output en daarmee mede de reden waarom de Nederlandse universiteiten het tot nu toe uitstekend doen in de internationale ‘rankings’.

    Voor wat betreft de tweede activiteit - het geven van een goede opleiding tot breed inzetbare, zelfstandig opererende top-kenniswerker - kan gesteld worden dat het Nederlandse promotiestelsel in belangrijke mate faalt. De aangeleerde vaardigheden zijn grotendeels de vaardigheden van een wetenschappelijk staflid op een universiteit. En ook voor een dergelijk carrièrepad is de opleiding in veel gevallen ontoereikend, zoals het goed leren geven van onderwijs - toch ook een kerntaak van de universiteit.

    Daarnaast, en dat is erger, is van een gerichte opleiding tot top-kenniswerker buiten de academie in het algemeen geen sprake. Er is een gat tussen wat van een dergelijke kenniswerker verlangd wordt en wat de promovendus tijdens zijn promotietijd leert. Desalniettemin zal uiteindelijk 70-80% van de gepromoveerden een baan buiten de academie krijgen. Dus, ondanks de alom geprezen kwaliteit van de Nederlandse proefschriften, kan gesteld worden dat er in Nederland een onbalans is in de opleiding van promovendi.

    Waar het primaat eigenlijk zou moeten liggen bij het opleiden van promovendi voor een carrière als top-kenniswerker, ligt nu de nadruk op het uitvoeren van onderzoek. Promovendi dreigen de dupe te worden van deze onbalans en dit is voor een belangrijk deel de onderliggende oorzaak van (a) de structureel veel te lange promotietijd (gemiddeld ruim een jaar langer dan het regulier gefinancierde promotietraject van vier jaar), (b) de te grote en soms ziekmakende stress onder promovendi (onzekerheid over eigen kunnen in relatie tot de vervolgcarrière is hier vaak mede debet aan) en (c) de onder niveau startende carrière van een gepromoveerde buiten de academie (het duurt ongeveer elf jaar voordat de niet-gepromoveerde collega’s qua salaris worden ingehaald).

    Eisen aan een aangepast stelsel

    Het uitreiken van de doctorsgraad is voorbehouden aan de universiteit, is in duidelijke reglementen vastgelegd en gebeurt op geleide van een proefschrift dat door een promovendus is geschreven en verdedigd. Hoewel deze doctorsgraad internationaal erkend wordt en gelijk gesteld kan worden aan de ‘PhD’-graad, zijn de eisen waaraan voldaan moet worden bepaald niet overal ter wereld hetzelfde. In Nederland worden in de regel zeer hoge inhoudelijke eisen aan een proefschrift gesteld, hoger dan gebruikelijk in bijna alle andere landen. Dit heeft invloed op wat van promovendi verwacht wordt, op wat ze tijdens hun promotietraject doen en dus ook op de wijze waarop ze voorbereid worden op hun verdere carrière.

    Hoewel er de afgelopen dertig jaar in Nederland wel gesleuteld is aan het promotiestelsel – in 1986 werd het AIO-stelsel ingevoerd, in het verlengde daarvan kwamen vanaf 1991 de onderzoekscholen en vanaf 2004 de Graduate Schools – is er feitelijk nog relatief weinig veranderd aan de wijze waarop promovendi in Nederland worden opgeleid.

    We leren onze promovendi vooral onderzoek doen en daarmee worden zij opgeleid voor een baan binnen de universiteit. Als dat het enige mogelijke carrièrepad zou zijn, is het, gezien het feit dat slechts 20-30% van de gepromoveerden uiteindelijk hierin terecht komt, duidelijk dat we te veel promovendi opleiden. Echter, de huidige kennismaatschappij heeft behoefte aan breed inzetbare, hoogopgeleide kenniswerkers. Zij zijn de motor achter toekomstige innovaties in de wetenschap, het bedrijfsleven, start-ups en bij de overheid.

    Dat er grote behoefte aan gepromoveerden is, blijkt uit het feit dat er nog steeds bijna geen werkeloosheid onder gepromoveerden is. Dus ondanks het ontbreken van een gerichte voorbereiding komen de 70-80% gepromoveerden die niet aan de academie gaan werken, relatief eenvoudig aan een baan buiten de academie.

    Dat dit door hen vaak als tweede keus gezien wordt en dat ook hun werkgevers hen feitelijk gedurende vele jaren onder hun niveau inschalen, is niet goed en feitelijk een van twee kanten ingestoken mismatch. Dit kan voorkomen worden door hier gerichter op te sturen en er, in samenspraak met toekomstige werkgevers, voor te zorgen dat de informatievoorziening, opleiding, aansluiting op de vervolgcarrière en bijbehorende waardering goed op elkaar afgestemd worden. Hier tijdens het promotietraject gericht en expliciet prioriteit, aandacht en tijd voor inruimen is een belangrijke uitdaging. Het  afleveren van niet alleen voldoende, maar ook op de juiste wijze opgeleide, gepromoveerden hoort een belangrijke maatschappelijke opdracht voor de universiteit te zijn.

    Concluderend kan gesteld worden dat het in het belang van de Nederlandse kennissamenleving is als de huidige groei in het aantal gepromoveerden doorzet en dat hiervoor extra financiering gevonden wordt. Het is echter duidelijk dat dit alleen zin heeft als ook het Nederlandse promotiestelsel op de schop gaat. Hierbij moet het goede van het huidige stelsel (goed onderzoek doen) worden behouden, maar zal daarnaast veel meer aandacht gegeven moeten worden aan een gerichte opleiding van de promovendus voor een vervolgcarrière in niet alleen de academie, maar zeker ook daarbuiten.

    Prof. Lou de Leij is Dean van de Groningen Graduate Schools en Dr. Marjan Koopmans is projectleider Groningen Graduate Schools.

    Ook bijdragen aan het promovendidiscours? Dat kan, stuur een mail naar redactie@scienceguide.nl