• A
  • A
  • Vertrouwen moet je verdienen

    - “We moeten er eerlijk over zijn dat wetenschappers ook maar gewoon mensen zijn.” Volgens Arjen van Witteloostuijn is het niet voldoende om perverse prikkels weg te nemen. “Je moet ook prikkels inbouwen die aansporen om het juiste te doen.”

    Vertrouwen in de wetenschap is een probleem, zo stellen velen. Maar waar dit probleem met vertrouwen zit is een vraag op zich. Volgens Arjen van Witteloostuijn, hoogleraar politieke wetenschappen en bestuurskunde aan Tilburg University zit het probleem in de wetenschappers zelf. Volgens hem is er momenteel een buitengewoon vertrouwen in de wetenschap, maar er wordt aan getornd, van buiten maar ook aan de binnenkant.

    Kort geleden sprak u op een bijeenkomst van de KNAW over het uitzonderlijke maatschappelijke vertrouwen in de wetenschap, waarom is dit zo bijzonder

    “Als ik het over uitzonderlijk vertrouwen heb, dan heb ik het over het historisch hoge vertrouwen dat er in de moderne tijd word belegd in de wetenschap. In een historisch perspectief wordt de mate van vertrouwen die onze maatschappij leggen slecht geëvenaard door de positie van religies. Momenteel zitten we even in een periode waarin er hier en daar wat afbrokkelt van dat vertrouwen in de wetenschap, maar dat zou ik eigenlijk alleen maar als ‘normaal’ willen bestempelen.

    De westerse wereld was de afgelopen decennia een vrijplaats voor wetenschappers maar daar zie je nu inderdaad wel de druk opgevoerd worden om de wetenschap wat meer te sturen en restricties op te leggen. Denk alleen al aan wat Trump nu heeft gedaan met de benoeming van een directeur van het klimaatagentschap die de facto een anti-wetenschappelijke houding heeft. Dat is uiterst zorgwekkend, maar het maakt nog maar eens duidelijk hoe bijzonder het is geweest wat we sinds de jaren ’50 voor een cultuur hebben gehad.”

    Als we het nu hebben over vertrouwen in de wetenschap, waar hebben we het dan volgens u over?

    “In de eerste plaats denk ik dat we dan dus moeten concluderen dat het publieke vertrouwen in de wetenschap hoog is. Dat is een bijzondere status en die moeten we ook koesteren. Dat vertrouwen komt namelijk niet vanzelf, je moet het geluk hebben dat je kunt opereren in een omgeving die tolerant is ten opzichte van uitspraken die niet altijd welgevallig zijn. Of het nu van praktische, religieuze of politieke aard is wat wetenschappers zeggen.

    Ten tweede moet je er alles aan doen om de buitenwereld geen enkele kans te geven om wetenschappelijk interne argumenten te gebruiken om dat vertrouwen onderuit te halen. In dat opzicht vind ik dat we de laatste tijd steken hebben laten vallen. Dat is reden te meer om onszelf heel serieus te nemen om hier wat aan te doen. Je kunt het klimaat in de maatschappij moeilijk direct beïnvloeden, dus laten we eerst maar zorgen dat we zelf de zaakjes op orde hebben.”

    De grote fraudezaken van de afgelopen jaren, daarover is steeds gezegd dat het daar slechts om incidenten ging. Gelooft u die lezing?

    “Het aantal wetenschappers dat echt ontspoort in fraude en de boel belazeren is klein, en dat zijn ook uitzonderingen. Maar er zijn heel veel wetenschappers en waar gewerkt wordt maakt men fouten. Er is denk ik wel een continuüm aan overtredingen waar we ons van moeten vergewissen.

    In dat palet daarvoor, voor de regelrechte fraude, zit nog een heleboel. Dan heb je het over zaken als: ‘Zal ik mijn modelspecificaties nog even aanpassen op wat ik graag wil vinden?’, ‘Is het niet handiger als ik dit een ‘outlier’ noem?’ of ‘Laat ik achteraf een theorie verzinnen bij wat ik heb gevonden?’. Ja, in dat soort questionnable research practices moet de wetenschap zich bezinnen of ze niet een systeem hebben gecreëerd dat dit in de hand werkt.”

    Wat zit er in het systeem dat deze ‘slechte wetenschap’ bevordert dan?

    “Denk aan tijdschriften die alleen maar ‘nieuwe’ en ‘significante’ bevindingen willen publiceren. Nul-bevindingen of replicaties, daar lijkt niemand in geïnteresseerd te zijn. Ook wordt je intern afgerekend op het aantal publicaties dat je hebt. Van dat hele circus moeten we af, en we zitten er zelf bovenop en middenin.”

    En als je dit systeem hebt veranderd, en de prikkels er uit hebt gehaald, ben je er dan?

    “Nee dan ben je er zeker nog niet. Als je een prikkelvrije wereld zou hebben zouden er nog steeds mensen zijn die het verkeerde zouden doen. Dat ligt ook in de aard van mensen. Je wordt natuurlijk liever beroemd omdat je iets nieuws hebt ontdekt, dan dat je min of meer bekend wordt omdat je aantoont dat iemands data niet te repliceren zijn. De neiging om iets nieuws te ontdekken die hebben wetenschappers al, die hoef je niet aan te wakkeren.

    Ik denk eerder dat je prikkels moet maken die de andere kant op werken. Prikkels die stimuleren om wel goede wetenschap te bedrijven, bijvoorbeeld door replicatiestudies te belonen.”

    Hoe zouden we dat vorm kunnen geven?

    “Je zou bijvoorbeeld elke promovendus in zijn promotie een replicatiestudie kunnen laten doen. Gewoon als deel van de opleiding, dat lijkt me überhaupt een zinnige exercitie die elke promovendus een keer gedaan moet hebben. Al is het maar om te leren hoe lastig het is om iets precies na te doen, en ook hoe moeilijk het moet zijn om het goed op te schrijven.

    Als dat betekent dat we de criteria van onderzoeksbeurzen als die van NWO aan moeten passen dan moet dat maar. Het is belangrijker dat jonge wetenschappers goed opgeleid worden dan dat we allemaal maar doen alsof we met baanbrekend onderzoek bezig zijn. Waar ik zelf ook mee speel is het idee van een replicatieveiling, als een aanmoediging om meer replicatiestudies te doen.”

    Hoe zou zoiets er dan uit moeten zien volgens u?

    “Nou stel je voor, ik verzin een goed experiment dat als er uit komt wat ik verwacht mij dit jaar nog een Nobelprijs oplevert. Wat ik dan doe is dat ik dat op een marktplaats aankondig met de vraag wie mij wil repliceren, en daarbij spreek ik af dat ik het niet publiceer voordat iemand het deugdelijk heeft gerepliceerd. En die persoon beloof ik dan een co-auteurschap op de publicatie. We moeten steeds meer naar zulke creatieve oplossingen toe gaan werken.” 

    En nu nog even naar buiten toe, hoe gaan we er dan voor zorgen dat de buitenwereld dat vertrouwen blijft voelen?

    “Dat vergt een heleboel van wetenschappers, maar op de eerste plaats dat je buiten je schulp treedt en de buitenwereld ook betrekt bij het onderzoek. Dat je de wetenschappelijke methode uitlegt aan leken. Dat kan betekenen dat je onderzoek als co-creatie opzet met bijvoorbeeld het bedrijfsleven. Maar ook dat je leerlingen op het middelbaar onderwijs al vroeg in contact brengt met hoe complex wetenschap eigenlijk is. 

    Niet iedere wetenschapper hoeft dit te doen of te kunnen maar we zouden onszelf op het punt van de communicatie naar buiten toe echt bij moeten scholen. Dat is een brede opdracht, van het afleren van het spreken in jargon tot het afleren om al te boude uitspraken te doen, maar we zullen er aan moeten om het vertrouwen in de wetenschap te behouden. Maar ik blijf daar bij zeggen dat wetenschappers elkaar ook scherp moeten houden, en desnoods moet de werkgever daar op toezien.”