• A
  • A
  • Hoe verder met psychische klachten promovendi?

    (Promotie aan de TUDelft, Foto: ScienceGuide)

    (Promotie aan de TUDelft, Foto: ScienceGuide)

    - Ook aan de Universiteit Leiden is het slecht gesteld met de geestelijke gezondheid van promovendi, nog slechter dan in Vlaanderen zelfs. Dat blijkt uit onderzoek van het CWTS dat een enquête afnam en interviews deed met promovendi. Wat moet er gedaan worden?

    Eerder dit jaar leidde Vlaams onderzoek tot internationale commotie rond de geestelijke gezondheid van promovendi. Naar aanleiding van berichtgeving op ScienceGuide stelde de SP Kamervragen over het onderwerp en drongen verschillende groepen waaronder het PNN aan op een grootschalig Nederlands onderzoek.

    Dat onderzoek is er tot nu toe nog niet gekomen, en de minister verwees in de beantwoording van de Kamervragen naar de universiteiten. Volgens haar zijn deze verantwoordelijk voor de werkomstandigheden van promovendi, en niet de overheid. De recentelijk gepubliceerde studie van het CWTS onder Leidse promovendi bevestigt nu de verwachting dat er ook in Nederland sprake is van een aanzienlijk hoger risico op geestelijke gezondheidsklachten onder jonge wetenschappers.

    De vraag is nu wat er te leren valt uit dit onderzoek, en wat universiteiten en onderzoeksscholen concreet kunnen doen om dit probleem bij de kraag te vatten. ScienceGuide sprak daarover met de Leidse onderzoekers en met deskundigen uit het veld.

    Het Leidse onderzoek 

    In oktober 2016 zette een onderzoeksteam van het CWTS een brede enquête uit onder jonge onderzoekers op de Universiteit Leiden. In totaal 250 van de 767 geregistreerde promovendi reageerden op de vragenlijst. De vragen gingen over allerlei werkgerelateerde onderwerpen, waaronder de contractsituatie, de taken en autonomie en de carrièrekansen die promovendi voor zichzelf zagen.

    “Een van de onderdelen [de GHQ4+, een internationale standaardlijst over geestelijke gezondheid] ging over het mentale welzijn, en daar kwamen deze verontrustende resultaten uit voort.”, vertellen hoofdonderzoekers Ingeborg Meijer en Inge van der Weijden. Uit het vroegtijdig uitgelekte rapport wordt namelijk duidelijk dat 38% van de respondenten risico loopt op ernstige psychische klachten zoals depressie of een burn-out (GHQ4+).

    Lees hier het hele onderzoeksrapport. 

    “Deze cijfers zijn nog hoger dan een eerdere Vlaamse studie en een enquête aan de Universiteit van Amsterdam uitwezen, en dit percentage is vele malen hoger dan wat gevonden wordt onder hoogopgeleide leeftijdsgenoten in andere beroepen.” Vult Evan de Gelder, ook onderzoeker aan het CWTS aan bij de cijfers. “Buitenlandse promovendi lopen het meeste risico en een vast contract lijkt geen garantie tegen problemen.”

    Dat buitenlandse promovendi een groter risico lopen op geestelijke gezondheidsklachten kan De Gelder wel begrijpen. “Een promotie verloopt via een grote set van ongeschreven en vaak cultuurgebonden regels die Nederlandse promovendi al niet allemaal begrijpen. Tel daar de stress die sowieso al komt kijken bij een promotie bij op en je hebt een recept voor problemen.”

    In kaart brengen

    Volgens de Leidse onderzoekers is het daarom hoog tijd dat op nationaal niveau duidelijk wordt wat de stand van zaken is. “Daarvoor is het essentieel dat we een gezamenlijke benchmark afspreken en dat alle universiteiten een volgsysteem hebben.”, benadrukt Meijer die er aan toevoegt: “Ik vind het ook getuigen van desinteresse dat je niet eens weet wie er in je organisatie rondloopt.”

    “Als wij aan onze Vlaamse collega-onderzoekers uitleggen dat we dat in Nederland niet hebben dan zijn ze stomverbaasd.”, aldus Van der Weijden die ook benoemt dat sommige universiteiten, waaronder de Wageningen Universiteit, wel degelijk actie ondernemen op dit punt. Makkelijk is dit overigens niet want promovendi komen in allerlei soorten en maten.

    Ook op de Rijksuniversiteit Groningen werkt al langere tijd op deze manier. “Bij ons zit iedereen in het volgsysteem, ongeacht de aanstelling. Wij hebben zicht op iedereen, van studentpromovendus tot aan buitenpromovendus.” Vertelt de Dean van de Groningen Graduate Schools Lou de Leij. “We zijn zelfs bezig met het inrichten van een alumnusmodule waar niet allen promovendi gevolgd worden na promotie, maar ook mensen die hun promotie gestaakt hebben.”

    De Leij wil een beter beeld krijgen van de motivatie achter het staken van een promotie. “We gaan dat op universiteitsniveau, maar ook op het niveau van de individuele vakgroep in kaart krijgen maar het is nog wel work in progress. We willen er echt werk van maken want promovendi zijn gewoon een hele waardevolle groep binnen de universiteit.” Ook hier kan Nederland volgens Van der Weijden nog een hoop leren van de zuiderburen: “Daar is een exit-gesprek de normaalste zaak van de wereld. Je wilt toch weten wat er speelt als iemand besluit om met zo’n project te stoppen?”

    Een rol voor personeelszaken

    Omdat voorkomen beter is dan genezen doen de Leidse onderzoekers een aantal voorstellen waaronder het instellen van een speciale arbeidspsycholoog voor jonge onderzoekers. “Wij hebben naast een vertrouwenspersoon ook een psycholoog speciaal voor promovendi binnen de universiteit Maastricht en ik kan je vertellen dat die persoon genoeg te doen heeft.”, vertelt Sally Wyatt (Maastricht University) wetenschappelijk directeur van onderzoeksschool WTMC.

    “Kijk, we hoeven het schrijven van een proefschrift an sich niet te medicaliseren, maar als er echt iets aan de hand is moet er ingegrepen worden.” vindt Wyatt die hier ook een rol ziet voor een afdeling personeelszaken om een actievere rol te spelen. “Recent had ik namelijk nog een positieve ervaring met een HR persoon die tijdens zo’n gesprek de promovendus aanspoorde om met vakantie te gaan. Iedereen heeft af en toe behoefte aan rust, en dat is voor een promovendus niet anders.”

    In het algemeen krijgt Wyatt hier bijval van de onderzoekers van het CWTS. Meijer: “In zowat elk bedrijf en elke instelling is er een personeelszaken die in de gaten houdt hoe het met medewerkers gaat, en die functioneert ook als een soort trechter waardoor mensen binnenkomen en gelijk een ontwikkelingsplan krijgen etc. Op universiteiten is dat niet de norm, hoogleraren regelen dit soort zaken veelal zelf. Dat is zo’n typisch voorbeeld van de monomane bedrijfscultuur die heerst binnen de academie.”  

    Eigen toko runnen

    Volgens Wyatt is het niet gemakkelijk deze cultuur te doorbreken. “Het is toch een feodaal systeem die academie, waar je bemoeien met een ander niet wordt gewaardeerd.” Een tweede begeleider is in het instituut waar zij werkt al sterk aanbevolen maar zou volgens haar verplicht moeten zijn op elk project, om tegenspraak in principe al te organiseren en meer mogelijkheden te scheppen. “De uitbreiding van het ius promovendi kan hier ook faciliteren in een transitie.”

    “Het begeleiden van promovendi is niet iets waarvoor je als wetenschapper per definitie opgeleid wordt.” Volgens Wyatt is het niet vanzelfsprekend dat een goede onderzoeker ook een goede begeleider is, training lijkt haar noodzakelijk en daarvoor organiseert Maastricht University tweemaal per jaar een training. 

    De Leij heeft hier ook in Groningen ervaring mee, en constateert hetzelfde als Wyatt: “Er komen gelukkig best wel wat begeleiders op zo’n cursus af, maar degenen die je echt wilt bijscholen zijn vaak net degenen die niet geneigd zijn om zich te laten vertellen wat ze moeten doen.” Hij denkt dan ook dat het leren begeleiden, net als een BKO, een dwingender karakter moet krijgen zeker voor beginnende UHD’s en hoogleraren.

    “Je moet gewoon zo’n cursus volgen als je promovendi gaat begeleiden. En het is ook als startende hoogleraar goed voor je netwerk om dit samen te doen.” Volgens De Leij is het ook goed dat daarbij het doel van een promotie weer even naar de voorgrond gehaald wordt. “Ik zie een promotie als een proeve van bekwaamheid voor de promovendus. Deze moet aan het eind van het traject laten zien een zelfstandig onderzoeker te zijn.”

    Die doelstelling raakt volgens De Leij regelmatig op de achtergrond, en promovendi kunnen daar de dupe van worden. “Het moet gaan om de kwaliteit maar ik zie dat het op veel plekken toch echt te vaak over de kwantiteit gaat: hoe veel artikelen heeft iemand geschreven? Daardoor kan ongewenste stress ontstaan of, ook niet goed, duren de promotietrajecten te lang.”

    Wie doet de volgende zet? 

    De vraag is nu wie er aan zet is om met dit onderzoek verder te gaan. “De universiteiten hebben toegezegd om met een plan te komen om de werkdruk te verminderen, maar dat is slechts een klein onderdeel van wat wij onderzocht hebben.” Zegt Meijer. Volgens de Leidse onderzoekers is het, voordat men met allerlei interventies aan de slag gaat allereerst belangrijk om een benchmark te hebben: “Je moet wel weten of je interventie werkt.”

    In Vlaanderen kwam de keuze om een nationaal volgsysteem voor promovendi te maken direct van de minister. “Onze minister heeft het probleem bij de universiteiten gelegd. Wie nu het voortouw zal nemen doet er eigenlijk niet toe, maar er heeft in ieder geval nog niemand zich bij ons gemeld.” Het zal volgens Meijer nog een grote stap zijn voor de universiteiten. “Maar er is wel enige haast bij, het is namelijk een probleem dat diep ingrijpt op onze kenniseconomie.”