• A
  • A
  • Goedkoper is geen optie

    (Foto: USDA)

    (Foto: USDA)

    - “De matchingsdruk kun je uitdrukken in geld maar in de realiteit gaat dit in uren. En we weten allemaal hoe dat gaat met tijd.” Directeur van ENTEG Jacqueline Scherpen (RuG) zet kanttekeningen bij de scenario’s die het ministerie schetst voor een betere bekostiging van onderwijs en onderzoek.

    Twee weken geleden kwam het ministerie met een aantal scenario’s die de bekostiging van onder andere technische opleidingen meer in de pas zou moeten laten lopen met de studentenaantallen en het (dure) onderzoek dat er gedaan wordt. Het ministerie stelde dat er “Daarbij [..] sprake is van een neerwaartse trend in de uit de eerste geldstroom gefinancierde onderzoekscapaciteit gemeten in fte’s bètatechniek en landbouw, en ook voor het alfa domein.”

    Lees verder over de bekostigingsscenario’s die het ministerie voorstelt.

    De technische universiteiten verenigd in de 4TU lieten al eerder weten zich te herkennen in de analyse maar de oplossingen onder de maat te vinden. ScienceGuide deed navraag bij Jacquelien Scherpen van de Rijksuniversiteit Groningen; een klassieke en brede universiteit met een technisch profiel. Scherpen is wetenschappelijk directeur van het ENgineering and TEchnology instituut en tevens voorzitter van het Groningen Engineering Center. Beide instituten zitten in de Faculty of Science and Engineering, een faculteit die zowel fundamentele als engineeringsopleidingen omvat. Scherpen stelde al eens dat het technische profiel van de RUG wel eens “het best bewaarde geheim van Groningen” wordt genoemd.

    Gedwongen keuze

    “Overal in Nederland zijn momenteel technisch geschoolde mensen nodig, zo ook in Groningen.” De provincie Groningen heeft bovendien grootse plannen om een sleutelrol te spelen in de Energiewende. “Dat ga je niet doen zonder mensen die kennis hebben van zonnecellen en slimme verdeelsystemen.” Het is voor Scherpen dan ook een missie om zo veel mogelijk hoogopgeleide technici af te leveren om aan de grote vraag te voldoen.

    In de analyse die het ministerie heeft gemaakt wordt gesteld dat in de bètatechnische sector het aanstellen van onderzoekers voornamelijk vanuit de tweede en derde geldstroom gebeurt. Op de vraag of dit een door cultuur ingevoerde keuze is antwoordt Scherpen ontkennend. “Het is een gedwongen keuze om dit zo te moeten doen. Dat is omdat het geld uit de eerste geldstroom niet voldoende is is.”

    “Er wordt vanuit de alfa- en gammahoek wel eens onderschat wat een technische opleiding kost.” Het voorgestelde scenario om de bekostiging per student bij bètatechnische opleidingen te verhogen lijkt Scherpen noodzakelijk en reëel. “Of het nu werkelijk gelijk naar de ‘top’ bekostiging zoals bij de geneeskunde hoeft, weet ik niet, maar toch zeker wel tweeëneenhalf tot twee keer het normale bedrag (laag).”

    Matching in natura

    Het is volgens Scherpen wel zo dat er relatief veel tijdelijke medewerkers zoals promovendi en postdoctoraal onderzoekers op de tweede en derde geldstroom worden aangenomen. “Maar universitair (hoofd)docenten en dergelijken moet je gewoon vanuit de eerste geldstroom betalen, daar zit niet zo veel speling in.”

    In de analyse van het ministerie wordt tevens aandacht besteed aan de matchingsdruk. Daarbij wordt het rapport Chinese Borden van het Rathenau Instituut aangehaald waarin staat dat: “een bedrag van bijna 1.580 miljoen euro nodig [is] om de inkomsten uit de tweede en derde geldstromen te matchen. Volgens Scherpen is de matching inderdaad het gros waar de interne middelen aan opgaan. “Dat is op onze faculteit waarschijnlijk niet anders dan op bijvoorbeeld de TU Delft.”

    Het ligt alleen niet zo simpel als dat het geschetst wordt in de analyse. “De matchingsdruk kun je uitdrukken in geld maar in de realiteit gaat dit in uren.” Het staat dus wel in de boeken in een verrekende vorm, maar als cash geld heeft Scherpen het nog nooit langs zien komen. “En we weten allemaal hoe dat gaat met tijd. Medewerkers aan een universiteit werken altijd meer dan de 38-urige werkweek in de CAO. Die ‘tijd’ is dus al meerdere keren uitgegeven en het is een drogredenering dat je dit ‘geld’ kunt vrijmaken voor iets anders.”

    Het zijn met name de derde geldstroom projecten en opdrachtgevers uit de overheid, bijvoorbeeld Economische zaken of de EU, die een harde matchingseis hebben. “De EU vraagt bijvoorbeeld dat je 50% aan uren matching tegenover een opdracht zet.” Deze uren moet de instelling wel opvoeren omdat er anders geen volledige onderzoeker kan worden aangesteld. Bij NWO projecten en het ERC zijn de eisen volgens Scherpen wat milder. “Zij vragen verantwoording dat je de opgegeven tijd ook besteedt aan het project en vragen geen matchinguren; de begeleidingsuren van onderzoekers die uit een project gefinancierd worden, zijn uren die immers horen bij een kerntaak van de universiteit.”

    Niet ten koste van een ander

    Dat opleidingen in de bètatechnische hoek momenteel te weinig middelen krijgen, staat volgens de technisch wiskundige buiten kijf. “Alle opleidingen binnen onze faculteit zijn begeleidingsintensief en vergen investeringen wat betreft apparatuur. Dat geldt ook voor een opleiding als technische bedrijfskunde waar onze studenten gewoon met een laser in de weer zijn.”

    Wat betreft de kosten ziet Scherpen niet zomaar een optie om onderzoek goedkoper te doen: “Iedereen let op de kosten als het om apparatuur gaat, maar voor hoogwaardig onderzoek heb je ook hoogwaardige apparatuur nodig. “Als je mee wilt doen, dan moet je er ook voor gaan.” Ook op het gebied van onderwijs is de rek er inmiddels wel uit volgens Scherpen.

    Aangezien het ministerie ook een budgetneutrale optie heeft geschetst voor deze omwenteling hangt de vraag natuurlijk boven de markt of de collega faculteiten misschien iets moeten afstaan. “Ik vind het niet gepast om iets te zeggen over het ‘nut’ van andere vakgebieden. Maar uit samenwerking met gammawetenschappers op het gebied van smart grids [elektriciteitsnetwerk dat zich op basis van informatie aanpast, red] haal ik heel veel kostbare informatie die mij in staat stelt mijn werk beter te doen.”