• A
  • A
  • Onderzoek op hogescholen: wie praat mee?

    (Foto: Biswarup Ganguly)

    (Foto: Biswarup Ganguly)

    - De vraag hoe de maatschappelijke waarde van hogescholen verbeterd en duidelijk gemaakt moet worden leverde bij een bijeenkomst op de Haagse Hogeschool en gebalanceerd duw- en trekspel op. Zijn valorisatie en impact wel de maatstaven en hoe goed betrekken hogescholen de maatschappelijke partners?

    De vraag hoe een instelling zijn maatschappelijke waarde het best inzichtelijk maakt houdt het hbo bezig. Opvallend aan de presentaties op de bijeenkomst Vormgeving maatschappelijke impact door hogescholen was de variëteit aan ideeën hoe die maatschappelijke waarde gedefinieerd moet worden, alvorens hem in kaart te brengen en te meten.

    The game is in the frame

    “Het frame waarin je die waarde plaatst maakt bijzonder veel uit voor wat je meet”, stelde Daan Andriessen, lector methodologie van praktijkonderzoek (Hogeschool Utrecht) die de ochtendsessie afsloot. “Wat betekent het nu eigenlijk om gebruik te maken van onderzoek? Welke visie en welk frame liggen hier aan ten grondslag?”

    Waar de voorgaande spreker Huib de Jong, rector van de HvA, de onderstaande definitie omarmde, weigerde Andriessen om onder die voorwaarden verder te denken over de waarde van onderzoek en de hogeschool. Volgens hem is het een opvatting van waarde die geen recht doet aan hoe kennis werkt, noch aan wat de kracht van een hogeschool is.

    Kennisvalorisatie is het proces van waardecreatie uit kennis, door kennis geschikt en/of beschikbaar te maken voor economische en/of maatschappelijke benutting en te vertalen in concurrerende producten, diensten, processen en nieuwe bedrijvigheid.

    -        

    Landelijke Commissie Valorisatie

    “Termen als valorisatie en impact hebben met elkaar gemeen dat ze voortvloeien uit een lineaire gedachte: er is kennis en dat moet je op de juiste manier richten of afvangen.” Volgens Andriessen is er geen scheiding tussen kennisproductie en waardecreatie “Kennis ontstaat pas als er iets gaat stromen.” Andriessen voelde daardoor meer voor de term ‘doorwerken’ om de samenwerking en waardecreatie mee te duiden. 

    Andriessen begrijpt wel waarom universiteiten zo gek zijn op de term valorisatie: “Het is als concept bijzonder nuttig in de technologie, waar je een ontdekking om kunt zetten in een product.” Een bijkomstig voordeel is volgens Andriessen dat valorisatie ook als schild naar buiten werkt: “Wanneer je waarde afleest aan de hand van valorisatie blijft de vraag buiten schot waar je nu eigenlijk onderzoek naar doet, wat je vraag is.”

    Onderzoek aan hogescholen moet volgens Andriessen niet volgens deze lijnen beoordeeld worden. “Valorisatie en impact zijn als definities veel minder bruikbaar in het sociaal wetenschappelijke domein, waar hbo-instellingen juist sterk in zijn.” Het is dan ook gevaarlijk om zomaar mee te praten met het bestaande discours. “Als we meegaan in het gesprek over valorisatie dan raken we ondergesneeuwd. Het hbo is juist heel goed in het onderhouden van een netwerk.” 

    Inzetten op sterke kanten

    Op de vraag hoe goed hogescholen hun rol in de regio gebruiken voor waardecreatie had Frank Zwetsloot, directeur van de organiserende partij ScienceWorks, een aantal prikkelende antwoorden paraat. Waar zowel lectoren als managers van Centres of Expertise (CoE’s) aangaven dat hun onderzoek in waarde en impact stijgt door samenwerking in de regio, komt hier in praktijk niet altijd iets van terecht.

    “We zien het toch nog te weinig gebeuren dat lectoren het maatschappelijk veld betrekken bij het stellen van vragen in onderzoek.” Stelde Zwetsloot op basis van het onderzoek dat hij uitvoerde in samenwerking met onderzoekers uit het hbo. “Het initiatief voor een onderzoekslijn, het formuleren van het project wordt toch voornamelijk door de onderzoeker zelf gedaan. De onderzoeker bedenkt wat de praktijk [bedrijven] nodig heeft, en nog te weinig andersom.” 

    Zwetsloot - initiatie

    Vraag: Waar komt het initiatief voor het project vandaan? (ScienceWorks, 2017)

    Het onderzoek door lectoren wordt wel vaker in samenspraak met bedrijven ontwikkeld (25%) maar ook daar zou voortgang geboekt kunnen worden door samenwerking. “Het lastigst blijkt het te zijn om mensen uit de praktijk als onderzoeker aan te stellen, dit gebeurt maar in 3-7% van de onderzoeken”, gaf Andriessen aan. De overtuiging van de sprekers was dat hier nog enorm veel winst te behalen viel.

    Daar staat overigens tegenover dat het bedrijfsleven enorm investeert in het hbo. In zijn presentatie liet Zwetsloot, op basis van cijfers van het CBS, zien wat de bijdrage van het bedrijfsleven aan het hbo is: “Het  bedrijfsleven draagt zo’n 724 miljoen bij, waarvan 539 in natura.” Het begeleiden van duale leerlingen en stagairs is dus een aanzienlijke private bijdrage die geleverd wordt aan het hoger beroepsonderwijs.

    Taakverdeling

    De vraag wie nu precies wat moet doen werd door dagvoorzitter Jet de Ranitz (voorzitter van hogeschool Inholland) nog iets scherper geslepen in de afsluitende paneldiscussie. “Moeten we de praktijk niet de ideeën aan laten dragen en de onderzoeker de vragen laten stellen? Dat is toch waar ze goed in zijn.” Legde zij de panelleden voor.

    De Jong kon zich daar wel in vinden, voor hem zijn de CoE’s de beste vorm om verder in te gaan. Maar volgens hem moeten ze wel voorspelbaarder worden voor de praktijk om de samenwerking te bevorderen. Zwetsloot voegde aan de discussie toe dat inzetten op samenwerking makkelijker gezegd is dan gedaan. “Het gaat het beste als je de praktijk ook iets te bieden hebt, bijvoorbeeld in de vorm van tijd of subsidie.”

    Voor Andriessen was action based onderzoek (vanuit de praktijk) de route, wat betekent dat de scheidslijnen minder scherp moeten. “Het oorspronkelijke uitgangspunt is dat je actieonderzoek vanuit gelijkwaardigheid moet doen. Er moet afstemming gezocht worden tussen de wetenschapper, de professional en bijvoorbeeld de belangen van patiënt.”