• A
  • A
  • Wetenschappers rond de tafel

    (Foto: ScienceGuide)

    (Foto: ScienceGuide)

    - Wat valt er te doen aan het lage honoreringspercentage bij NWO, en hoe zorgen we dat jonge onderzoekers de moed niet verliezen in het aanvraagtraject? Die vragen stonden centraal op een unieke werkconferentie georganiseerd door NWO.

    Het is een aanhoudende klacht dat het aanvragen van beurzen bij NWO veel tijd en energie kost, en maar een kleine kans van slagen heeft. Eerder was dit al onderwerp van debat in de Tweede Kamer waar de staatssecretaris aangaf positief te staan tegenover experimenten met andere financieringsvormen.

    Het nieuwe bestuur van NWO besloot de discussie over aanvraagdruk en beoordelingsprocedures te openen. Op dinsdag kwam een groep van meer dan 100 (senior) wetenschappers, bestuurders en beleidsmakers samen aan ronde tafels in de Rode Hoed om de manieren te bedenken waarop de werkdruk van het aanvragen omlaag, en het honoreringspercentage omhoog kon.

    Wat de cijfers zeggen

    Ter voorbereiding van de dag had het Rathenau Instituut een factsheet samengesteld over aanvraagdruk. NWO-voorzitter Stan Gielen liep met de zaal door de cijfers heen en wees op het veranderde onderzoeks- en onderwijslandschap. Zijn interpretatie: “De groei in het budget van de universiteiten komt vooral door de studentenaantallen, en tegelijkertijd is de bekostiging per student gedaald. Colleges van Besturen hebben flink moeten investeren in deze studenten. Dat is ten koste gegaan van het onderzoek.”

    Het personeelsbestand van universiteiten is de afgelopen jaren ook sterk verschoven. “Universiteiten hebben zich met veel succes gericht op het binnenhalen van beurzen. Daardoor is de matchingsdruk toegenomen, alsmede het aantal promovendi.” Volgens Gielen is dit de kern van het probleem. “De onderzoeksmiddelen, lees de apparatuur en de promovendi, zijn weggenomen bij de universiteiten. Dat leidt tot de druk om extern middelen aan te vragen.”

    Universitair personeelsbeleid

    Dat de bekostiging effect heeft op het personeelsbestand is duidelijk, maar de meningen over hoe het huidige HR-beleid aan universiteiten hier mee omgaat zijn gemengd. Consensus was er wel dat dit over de gehele linie tekortschiet om jonge wetenschappers te behoeden voor de zogenaamde hypercompetitie.

    “Het gevolg hiervan is dat mensen zeggen: ‘hier heb ik geen zin in’. Ik heb mijn twee beste promovendi zien vertrekken. Ze zeggen dat ze de wetenschap leuk vinden, maar geen zin hebben in de onzekerheid”, aldus Frits Vaandrager (Radboud Universiteit) die de eerste werkgroepsessie inleidde. Hij had nog een andere observatie voor de zaal. “Je ziet dat het doel een middel is geworden. Goed onderzoek doen is een middel geworden om meer aanvragen gehonoreerd te krijgen.”

    Toch kwamen er uit de werkgroepsessies overwegend voorstellen om, ten behoeve van het verminderen van het aantal aanvragen, de instellingen zelf een grotere hand te geven in de (voor)selectie van aanvragen. Wie deze selectie precies zou moeten maken bleef nog onbesproken, maar aanwezigen waren er hoopvol over dat er op deze manier meer ruimte zou zijn voor strategische keuzes in de personele bezetting.

    Elftal vol spitsen

    Maar wie wordt er dan naar voren geschoven? Een van de werkgroepen die zich richtte op de prikkels die de huidige loopbaan van wetenschappers bepalen wilde meer aandacht voor de diversiteit van typen onderzoekers die uiteindelijk nodig is in de wetenschap. “Hoe zorgen we ervoor dat we straks geen elftal hebben met alleen maar spitsen?” Op dat punt zagen zij mogelijkheden voor de voorselectie van wie een aanvraag indient. “Dat betekent ook dat sommige indieners afgeremd moeten worden”, voegde een andere groep daar aan toe.

    Ook was er onder de deelnemers veel steun te vinden voor het sturen van aanvragen om onderzoekers meer als een team te laten opereren. Tijdens het debat werd ook opgemerkt dat de aandacht voor de enkele wetenschapper die een superster is in het binnenhalen van beurzen, voorbij gaat aan het feit dat het om samenwerken gaat: “We staan op de schouders van reuzen, maar moeten niet onderschatten wat we daar allemaal aan bijdragen.” Aldus een van de deelnemers.

    Inleider bij het plenaire debat Rianne Letschert (rector Maastricht University) ging nog een stapje verder op het gebied van samenwerking en vloekte in de kerk door voor te stellen om de Nederlandse universiteiten samen te voegen tot een organisatie – om de samenwerking te bevorderen. “Het is niet nodig om aan veertien instellingen het wiel steeds opnieuw uit te vinden. Dure expertise op veel verschillende plekken ophouden is niet de wijze is die ons uiteindelijk allemaal het beste vooruit brengt.” zei Letschert.

    Dit voorstel viel niet bij iedereen in goede aarde. Met name wetenschappers uit de exacte hoek en uit de geesteswetenschappen gaven aan dat deze manier van werken voor hen (nog) niet wenselijk is en niet nodig. KNAW-president José van Dijck gaf vanuit de zaal een reactie: “Wat het mooie is van Nederland is dat iedereen dicht bij elkaar woont. Die samenwerking is al gemakkelijk te organiseren.”

    Flexibele beurzen

    Aan de kant van de honorering werd tijdens de bijeenkomst meer overeenstemming bereikt. Met name het voorstel om flexibeler om te gaan met de omvang van de toegekende beurs kon op veel sympathie rekenen. Niet elk onderzoek is even duur om te doen, of hoeft even groots aangepakt te worden “Geef onderzoekers de gelegenheid om het type onderzoek te doen dat ze willen doen.” was dan ook de oproep van een van de aanwezigen.

    En passant kwam er ook nog een aantal suggesties voorbij om het aanmeldformulier sterk te versimpelen. “Schrap driekwart van het aanvraagformulier, want dat hebben we helemaal niet nodig” was de terugkoppeling van een van de werkgroepen. Ook de datamanagement- en valorisatieparagraaf waren welkome doelen om af te schieten. Alles om de aanvraag minder tijdrovend te maken.

    Voorlopig geen loting

    Een probleem dat veel aandacht kreeg is de combinatie van het hoge aantal goede en excellente aanvragen en het lage onderscheidingsvermogen bij de toekenning van beurzen. Uit ervaring blijkt dat het lastig is om met zekerheid te zeggen dat het ene A+ beoordeelde voorstel echt beter is dan het andere, of zoals een van de aanwezigen het beschreef: “In werkelijkheid moesten wij als panel zoeken naar zinnetjes in de aanvraag om deze op af te serveren. En daar gaat ook nog eens heel veel tijd in zitten.”

    Naast het voorstel uit de zaal om alle A en A+ aanvragen gewoon te honoreren was er aandacht voor het voorstel om te loten, ingebracht door Marten Scheffer (Wageningen University). Het voorstel om bij beperkte middelen de honorering van de excellente aanvragen over te laten aan het lot veranderde volgens de een van de tafels weinig aan de procedure. Bovendien merkten zij op dat “het fijner is dat de willekeur van het panel beslist, dan het random toe te kennen via loting.”

    Wat nu?

    Opvallende oogst van de dag was het grote aantal bijzondere voorstellen. Deze liepen van een straftoekenning – bij een overschot aan excellent beoordeelde aanvragen wordt het totaalbedrag evenredig verdeeld – tot aan een promovendi-cap – meer dan tien promovendi op een onderzoeker betekent geen beurzen meer. Duidelijk was wel dat de uitgangspunten van competitie en excellentie niet wezenlijk ter discussie werden gesteld.

    In het vervolgtraject zal NWO de uitkomsten van de dag bundelen en in mei komt de organisatie met een terugkoppeling. Eind juni organiseert NWO een internationale conferentie met zusterorganisaties om van elkaar te leren en komt na de zomer met een strategisch plan.

    Sicco de Knecht