• A
  • A
  • Selectie raakt kwetsbare groepen

    (De Staat van het Onderwijs, Foto: ScienceGuide)

    (De Staat van het Onderwijs, Foto: ScienceGuide)

    - De meeste bevindingen uit 'De staat van het onderwijs' waren al bekend maar reikhalzend werd uitgekeken naar de doorstroomcijfers van kwetsbare groepen. Hier zijn geen grote verbeteringen te zien. Bovendien valt op dat selectie nadelige effecten heeft voor deze groepen.

    In het jaarlijkse rapport ‘De staat van het onderwijs’ geeft de Inspectie van het Onderwijs een overzicht van de belangrijkste graadmeters in het onderwijs. Een aantal aspecten, zoals studiesucces, opleidingscommissies en de financiën, is eerder al langsgekomen maar het rapport dat vandaag uitkomt biedt ook een aantal nieuwe inzichten. Zo blijkt dat de doorstroom van mbo naar hbo voorlopig laag blijven en ze de sociaaleconomische achtergrond en herkomst van studenten nog steeds bepalend voor de doorstroom en het studiesucces.

    Lees verder: de bevindingen van de inspectie over opleidingscomissies, de financiële transparantie van het ho en de universitaire lerarenopleiding.

    Vooruitlopend op het rapport berichtte de Vereniging Hogescholen vorige week nog over het studiesucces in het hbo. Daaruit bleek dat er nog geen grote trendbreuk is opgetreden in de uitval en het studierendement op hogescholen. Dat de cijfers in het wo gunstiger waren was al langer bekend, hierover was de Reviewcommissie positiever. Wat nog niet bekend was, was hoe het momenteel staat met de doorstroom van mbo naar hbo en het effect van de sociaaleconomische achtergrond en herkomst van studenten op de doorstroom en toelating.

    Doorstroomcijfers

    De daling van de instroom vanuit het mbo zet in 2016 niet door en komt weer iets boven dat van 2015 uit, maar daarmee is de neerwaartse trend hooguit tot een halt gebracht. Over de gehele linie, van mbo 4 tot en met vwo blijft het beeld dat vooral het opleidingsniveau en inkomen van de ouders sterk bepalen of de leerling het hoger onderwijs betreedt.

    Bij de invloed van het inkomensniveau van de ouders op de doorstroom richting het hoger onderwijs treedt een curieus effect op. Waar de categorieën van de laagste (0 – 20 %) en hoogste (81 – 100 %) inkomens enige stijging laat zien in de doorstroom daalt die in de categorie van lagere inkomens (van 21 – 40%) juist. De vraag is dus of de aanvullende beurs voor lagere inkomens uit deze categorie afdoende is om ouders en leerlingen te verleiden het hoger onderwijs in te gaan. 

    Selectie aandachtspunt

    De in 2014 aangekondigde afschaffing van de centrale loting bij numerus fixus opleidingen heeft duidelijk geleid tot een afname in het percentage opleidingen met een loting. Tegelijkertijd is er een beweging ontstaan in de richting van meer decentrale selectie. Waar in het hbo in 2008 nog in totaal 4,1 % van de opleidingen een fixus had is dit in anno 2016 al 11,6 %. Een minder grote stijging is te zien in het wo waar in 2008 al 7,1% van de opleidingen een fixus had en nu 10,2%.

    In totaal gaat het in het hbo in 2016 om zo’n 100 opleidingen die een fixus hebben en meer dan 22.000 studenten vanuit de directe instroom (19,8% van het totaal). Daarmee is het aandeel studenten dat in het hbo studeert aan een selectieve opleiding verdrievoudigd in tien jaar tijd. In het wo gaat het om meer dan 15.000 studenten, ruwweg een kwart van het totaal (27%) en bijna een verdubbeling ten opzichte van de 17% in 2006.

    De effecten op de samenstelling van de studentenpopulatie bij fixusstudies zijn enigszins zorgwekkend. Bij selecterende bacheloropleidingen met een numerus fixus is de kans op toelating voor mannen consequent lager dan voor vrouwen, neemt het aandeel studenten met een niet-westerse migratieachtergrond af, en is de toelatingskans kleiner voor studenten met lager opgeleide ouders en uit de lagere inkomenscategorieën. Alhoewel deze verschillen over het algemeen uitgedrukt kunnen worden in enkele procentpunten kan de totale impact van de selectie op de diversiteit niet over het hoofd worden gezien.

    Naast de samenstelling van de geselecteerde groep wordt ook de transparantie van de selectiemethodes kort behandeld in het rapport. Of decentrale selectie blinder is voor de bovengenoemde aspecten moet nog blijken uit het nog te verschijnen rapport Selectie: meer dan cijfers alleen. Het rapport neemt een voorschot op op de publicatie met de treffende zin: “Studenten die eenmaal door de selectie zijn gekomen, zijn vaak positief over het fenomeen selectie.”, hoe de groep die er niet door is gekomen er over denkt blijft onduidelijk.

    Instroom Pabo hapert

    Uit het rapport blijkt verder dat het aantal studenten dat begint aan de pabo-opleiding in de afgelopen twee jaar sterk is gedaald; van ruim achtduizend in 2014 naar iets meer dan zesduizend in 2016. Er starten vooral minder mbo’ers aan de Pabo; hun instroom is in het jaar 2015 meer dan gehalveerd naar 12,5%. Een effect van de strengere entreetoets voor de opleiding die duidelijk belemmerend werkt voor deze groep.

    Daar staat tegenover dat de uitval in het eerste jaar fors is afgenomen, vooral onder die groep studenten met een mbo-vooropleiding. Ook is opvallend dat het aandeel mannen op de pabo voor het eerst boven de 25% (25,3%) uitkomt. In 2016 nam de instroom op de pabo’s weer licht toe ten opzichte van 2015.

    Ook klinkt er in het rapport kritiek op universitaire lerarenopleidingen. Er lijkt behoefte te zijn onder studenten aan vaardigheden om orde te houden en feedback te geven. De praktische voorbereiding op het veelzijdige beroep van leraar is erg kort.