• A
  • A
  • In 2054 gelijke m/v-verdeling onder hoogleraren

    - In 2015 steeg het aantal vrouwelijke hoogleraren met 0,9%. Het percentage universitair hoofddocenten steeg met 0,7 en het van universitair docenten met 1,6%. Met deze groei duurt het tot 2054 voor er een gelijke m/v-verdeling is onder hoogleraren, blijkt uit de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2016.

    De Monitor 2016 van het Landelijke Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren geeft inzicht in de actuele man-vrouw verdeling in de wetenschap en de percentages vrouwelijke wetenschappers en bestuurders aan de Nederlandse universiteiten, universitair medische centra en in andere wetenschappelijke organisaties. Daarmee vormt de Monitor de fundering onder maatregelen en beleid op het gebied van genderdiversiteit, zet het aan tot actie en geeft het inzicht in waar de obstakels zich bevinden in de nog altijd gebrekkige doorstroom van vrouwen naar de top.

    Geringe groei percentage vrouwelijke hoogleraren

    In Nederland is slechts 18% van de hoogleraren vrouw, zo blijkt uit de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2016. Dat is een toename van een kleine 0,9% ten opzichte van de Monitor 2015. Het percentage vrouwelijke afstudeerders ligt nog altijd boven de 50%. Bij elke volgende stap op de wetenschappelijke carrièreladder neemt het aandeel vrouwen drastisch af. 

    Van 43% naar 39% naar 26% bij respectievelijk promovendi, universitair docenten (UD) en universitair hoofddocenten (UHD). Bij de stap van universitair hoofddocent naar hoogleraar gaat er nog eens 8% aan vrouwelijk potentieel verloren. Het zal nog tot 2054 duren voordat er een evenredige M/V-verdeling onder hoogleraren is ontstaan.

    Het glazen plafond blijft onveranderd dik

    Het maken van stappen naar de volgende functiecategorie in de wetenschap is niet vanzelfsprekend. Zeker niet voor vrouwen. Middels de Glazen Plafond Index (GPI) geeft de Monitor 2016 de belemmeringen weer tussen deze verschillende functiecategorieën. Hoe hoger de GPI, des te moeilijker de stap naar het volgende functieniveau. De stap van universitair hoofddocent naar hoogleraar blijft traditioneel de lastigste met een GPI van 1,5. Bij de promovendi nadert de GPI de neutrale 1.

    Dat vrouwelijke wetenschappers minder verdienen dan hun mannelijke collega's toonden de Monitor 2012 en 2015 al aan en in het in 2016 verschenen LNVH-rapport 'Financiële Beloning van Mannen en Vrouwen in de Wetenschap' werd de loonkloof in detail onderzocht. Conclusie: vrouwelijke wetenschappers lopen op jaarbasis miljoenen mis. Daarnaast worden vrouwelijke wetenschappers stelselmatig in de lagere functieniveaus ingedeeld. De Monitor 2016 maakt deze verborgen belemmering inzichtelijk: Er zit een ongenadig dik glazen plafond tussen de functieniveaus. Zo is de Glazen Plafond Index tussen de functieniveaus hoogleraar 2 en hoogleraar 1 met 2,4 torenhoog. 

    Blijven streven of behalen?

    In 2015 overlegden de 14 bij de VSNU aangesloten universiteiten streefcijfers aan minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met als doel de doorstroom van vrouwen naar de wetenschappelijke top te versnellen. Het betreft streefgetallen met betrekking tot het percentage vrouwelijke hoogleraren dat zij in 2020 zouden moeten hebben behaald. De Monitor 2016 laat in een prognose op basis van de gemiddelde groei van de afgelopen tien jaar zien dat 6 van de 14 universiteiten de streefcijfers ook daadwerkelijk behalen.

    Zowel in de Colleges van Bestuur als in de Raden van Toezicht van de universiteiten ligt het aandeel vrouwen rond of boven de 30%. Het percentage vrouwelijke leden in de Raden van Bestuur van universitair medische centra nam toe van 14% naar 23%. In de Raden van Toezicht van de universitair medische centra is het aandeel vrouwen licht gedaald maar nog altijd ruim boven de 30% (37%). Het academisch management is met 23% goed op weg om de critical mass van 30% te behalen.